In de laatste vijf minuten heb ik Saskia meer leugens verteld dan in zestien jaar huwelijk. Ik heb haar wijsgemaakt dat ik goed heb geslapen, bijvoorbeeld, en dat ik na een nuttige maar vermoeiende conferentie blij ben weer naar huis te kunnen. En toen ze zei dat ze me had gemist heb ik geantwoord: ‘ik jou ook’.
    Ik was verbaasd hoe makkelijk ze eruit kwamen, die leugens, hoe weinig schuldig ik me voelde. Ik werd er zelfs een beetje opgewonden van. Maar Saskia is niet achterlijk. Ze heeft iets gehoord en nu is ze ongerust.
    ‘Het gaat prima, Saskia, echt. Waarom zou het niet gaan?’
    Ik zit aan het uiteinde van een lange rij stoelen. Mijn medepassagiers lezen kranten of spelen met mobiele telefoons. Een paar kleuters rennen langs de hoge ramen waarachter vliegtuigen arriveren en vertrekken.
    ‘Je klinkt zo… ik weet niet… Heb je echt goed geslapen?’
    Saskia’s stem heeft de zorgende toon aangenomen die is bedoeld om mij te sussen en te stimuleren tot het delen van gevoelens. Ik verplaats mijn mobiel naar mijn andere oor en sluit mijn ogen.
    ‘Het is de vertraging, Sas. Het kan nog wel even duren. Reken maar nergens op.’
    Een stewardess in een blauw pakje is verschenen bij de balie. Gebukt mompelt ze verontschuldigingen in een microfoon en kondigt aan dat ze een begin gaat maken met instappen. Om me heen staan mensen op en duwen hun rolkoffertjes over het tapijt. Binnen enkele seconden heeft zich een slordige rij gevormd bij het toegangspoortje.
    ‘Becky staat hier naast me,’ zegt Saskia. ‘Wil je haar even?’
    ‘Is ze al uit school?’
    Becky heeft me kennelijk verstaan en roept: ‘Het is al half drie, gek.’ Gek is iets van de laatste weken. Telkens wanneer ze me gek noemt voel ik me zo gelukkig dat het pijn doet.
    ‘Ze heeft een verrassing,’ zegt Saskia. Ik hoor gekraak en boos gemompel als Becky de hoorn overneemt.
    ‘Pap?’
    ‘Dag lieverd. Heb je een verrassing?’
    ‘Nee. Ja, maar ze had beloofd niets te verklappen.’ Ze is een ogenblik stil. ‘Ik ben veranderd,’ fluistert ze dan.
    ‘Veranderd?’
    ‘Meer zeg ik niet.’ Als ze lacht hoor ik iets nieuws in haar stem, iets dieps en verleidelijks. Een vrouw van elf.
    ‘Becky, luister eens, ik hou heel veel van jou, dat weet je toch?’
    ‘Weet ik, gek. Nu wil Mama weer iets zeggen. Doei!’
    ‘Ze heeft haar haar anders,’ zegt Saskia als ze de telefoon heeft overgenomen. ‘Korter. Ze vraagt tien keer per dag wanneer jij thuiskomt.’
    ‘Ze wordt volwassen,’ zeg ik.
    ‘Laten we niet overdrijven.’
    Ik ben de enige die nog zit. De andere passagiers staan in de rij of zijn al verdwenen door de schuifdeuren. In plaats van op te staan en aan te sluiten vraag ik Saskia naar mijn vader.
    ‘Hij heeft gisteren meegegeten,’ zegt ze.
    ‘Hoe ging het met hem?’
    ‘Best goed eigenlijk. Ik keek er nogal tegenop, ik was bang dat hij weer zo moeilijk zou gaan huilen, maar hij leek best vrolijk. Niet depri of zo.’
    ‘Hij pot het op.’
    ‘Juist niet. Toen we samen voor de tv zaten zei Barend ineens iets over je moeder. “Oma is dood,” zei hij. Je vader aaide hem over zijn bol en zei dat dat klopte. Hij keek een tijdje erg verdrietig en er kwamen een paar tranen. Heel natuurlijk allemaal.’
    ‘Je kent hem niet. Niemand kent hem.’
    ‘Hij is veranderd, Chris. Soms denk ik dat hij er beter mee omgaat dan jij. Sorry, dat kwam er verkeerd uit.’
    Misschien heeft ze gelijk. Als we tranen opvatten als bewijsmateriaal voor wat Saskia aanduidt als een ‘gezond rouwproces’ ben ik ongezond bezig. Twee keer heb ik gehuild: één keer aan mijn moeders bed, tijdens ons laatste gesprek, en de tweede keer bij de begrafenis waar zoveel werd gesnotterd dat ik uiteindelijk mee ging doen. Niet dat ik mijn moeder niet mis, of dat haar dood me onverschillig laat. Elke dag denk ik aan haar, elke minuut. Maar er is iets wat Saskia niet weet. Ze was er niet bij toen ik voor het laatst met mijn moeder praatte, toen mijn moeder me vroeg de deur te sluiten en haar hand vast te houden en ze eindelijk onthulde wat ze de laatste drieënveertig jaar in stilte met zich mee heeft gedragen.
    ‘Waar is Barend?’
    ‘Die ga ik zo van school halen. Is alles goed? Vergeet alsjeblieft wat ik net zei, oké?’
    Ik sta op, hang mijn computertas aan mijn schouder, grijp mijn jasje en rolkoffertje en begin te lopen. ‘Geef hem een kus van mij.’
    ‘Dat mag je straks zelf doen. Hoe laat ben je er?’
    ‘Geen flauw idee.’ Ik verbreek de verbinding en zet het toestel uit.
    Op de loopband die mij terugvoert naar de hal hoor ik de oproep of ik alsjeblieft aan boord wil gaan. Laatste oproep voor Chris de Soete, knettert de stem van de stewardess. Laatste oproep voor Chris de Soete. Zoals alle Engelsen en Amerikanen spreekt ze mijn achternaam uit als de Soote.
    Ik lach want ik ben niet meer de Soete of de Soote.
    Ik ben de zoon van John Lennon.